Een werknemer die werkzaam was als vrachtwagenchauffeur is tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in botsing gekomen met een viaduct. Gebleken is dat dit het gevolg was van het feit dat zijn vrachtwagen te hoog beladen was en aan de werknemer is hiervoor een boete van 750 euro opgelegd. De werknemer heeft zijn werkgever hierop verzocht dit bedrag aan hem te vergoeden, hetgeen door de werkgever is geweigerd. De werknemer heeft hierop betaling van het bedrag in rechte gevorderd.
Kantonrechter
De kantonrechter heeft vastgesteld dat er geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid, daarom komt de boete niet voor rekening van de werknemer. Vervolgens heeft de kantonrechter zich gebogen over de vraag of er een andere grondslag voor betaling van de boete door de werknemer aanwezig is, waarbij hij aansluiting heeft gezocht bij een recent arrest van de Hoge Raad (TPG-arrest, Hoge Raad 13 juni 2009) over de betaling van verkeersboetes. In dit arrest is overwogen dat een werkgever onder bijzondere omstandigheden op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap) gehouden is een boete voor zijn rekening te nemen. In dit arrest is als voorbeeld de situatie genoemd waarin de werkgever aan de werknemer een auto meegeeft die niet aan de eisen voldoet. De kantonrechter leidt uit dit arrest af dat voor de vraag of er sprake is van een dergelijke uitzondering relevant is of de werkgever zeggenschap heeft gehad over de situatie waarin de werknemer zich heeft bevonden toen hij de overtreding beging. Die zeggenschap ontbreekt meestal in situaties waarin de werknemer als een gewone weggebruiker aan het verkeer deelneemt, maar in dit geval heeft de werknemer de vrachtauto echter beladen meegekregen.
Door de werkgever is niet aangetoond dat zijn chauffeurs de verplichting hebben om de hoogte van de lading zelf te controleren. Naar oordeel van de kantonrechter is de niet-toegestane wijze van beladen dus de werkgever aan te rekenen.
Commentaar
De aansprakelijkheid van werknemers voor schade aan de werkgever is uitgewerkt in art. 7:661 BW. Dit artikel is een uitzondering op de in het maatschappelijk verkeer geldende regel dat degene die schade toebrengt daarvoor zelf aansprakelijk is. Uit het artikel volgt dat de werknemer juist niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarnaast kan uit de omstandigheden van het geval een andere uitkomst voortvloeien.
Uit het door de kantonrechter aangehaalde arrest vloeit voort dat de werkgever niet aansprakelijk is voor verkeersboetes die de werknemer veroorzaakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij die aansprakelijkheid op grond van het goed werkgeverschap kan worden gegrond. De Hoge Raad heeft hiermee dus een uitzondering gecreëerd op de algemene overweging.












