De feiten
De stichting Kwaliteitscentrum examinering (KCE) beoordeelt exameninstellingen. Medio september 2007 blijkt dat de staatssecretaris onvoldoende vertouwen heeft in de werkwijze van KCE. Hierop wordt het zittende bestuur ontslagen en een interim-bestuur aangesteld.
De directeur van KCE licht vervolgens het personeel in over de overdracht van het toezicht op mbo-examens aan de onderwijsinspecties. Nadat de ondernemingsraad aangeeft dat hier sprake is van een voorgenomen besluit tot wijziging van werkzaamheden ontvangt hij een adviesaanvraag.
Volgens de ondernemingsraad wordt echter al uitvoering gegeven aan het besluit. De OR stapt naar de ondernemingskamer met het verzoek het besluit in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken. De ondernemer meent dat het adviestraject nog niet is afgerond, waardoor de procedure prematuur is.
Ondernemingskamer
De adviesaanvraag gaat over het voornemen van KCE zijn personele organisatie over te dragen aan de Staat. Het besluit betreft beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of een belangrijk deel daarvan in de zin van artikel 25 lid 1 WOR. De ondernemingskamer begrijpt dat door de wijze waarop de staatssecretaris zich opstelde, KCE de overeenkomst niet tijdig ter advisering aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd. De rechter oordeelt dat de ondernemer niet heeft voldaan aan de adviesplicht en dus ook een onredelijk besluit heeft genomen. Het intrekken van het besluit betekent in dit geval echter niet dat de overeenkomst met de Staat ongeldig is.
Commentaar
In artikel 26 lid 5 (laatste volzin) WOR is bepaald dat een voorziening van de ondernemingskamer door derden verworven rechten niet kan aantasten. Derden mogen niet de dupe worden van interne meningsverschillen in een onderneming. Ook niet wanneer het besluit van de ondernemer door de ondernemingskamer achteraf onredelijk wordt verklaard. Hierbij maakt het niet uit of de derde te goeder trouw is geweest. Derden zijn in het algemeen geen partij in een beroepsprocedure, zodat de ondernemingskamer hun belangen en of zij te goeder trouw zijn, niet kan afwegen. In dit geval beoordeelt de ondernemingkamer niet of de overeenkomst door KCE op een geldige wijze is gesloten. De staatssecretaris (met wie KCE de overeenkomst heeft gesloten) is in deze procedure ‘slechts’ een derde.












