Recht van voorwetenschap, een dode letter?

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

Bij de herziening van de WOR in 1998 is art. 24, lid 1 aangevuld met een passage die zegt dat de ondernemer ‘mededeling [doet] over besluiten die hij in voorbereiding heeft met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de art. 25 en 27’, zodat ondernemer en or hierover overleg kunnen plegen. Reden voor de aanpassing was dat de ondernemingsraad stelselmatig zo laat in het besluitvormingstraject werd betrokken dat van wezenlijke invloed geen sprake meer kon zijn.<BR><BR> Voortaan kon de or een beroep doen op de bedrijfscommissie of kantonrechter als de ondernemer in gebreke bleef. In 2002 kwam de proef op de som, toen een or voor het eerst rechtstreeks een beroep deed op schending van het aangepaste artikel bij de Ondernemingskamer (OK). Het ging om een bedrijfssluiting in het kader van een internationale strategie; de ondernemer was al maanden op de hoogte maar maakte er geen melding van. De ondernemer wist de OK ervan te overtuigen dat zijn informatievoorsprong op de or in het voortraject verwaarloosbaar klein is geweest. Met een adviestraject van vier maanden en de inschakeling van twee deskundigen heeft de or wel degelijk invloed kunnen uitoefenen op het besluit. <BR><BR> Als de invloed toch kan worden uitgeoefend, is een eerdere schending van het gebod in art. 24, lid 1 volgens de OK niet meer relevant. Dat oordeel werd herhaald in de zaal van Philips Lighting uit oktober 2006. Daar draait het in alle OK-oordelen rondom dit WOR-artikel steeds om: kon de or nog wezenlijke invloed uitoefenen? Conclusie: de aanvulling van art. 24 kan weer worden geschrapt. De doelstelling van het kunnen uitoefenen van wezenlijke invloed was immers al vastgelegd in art. 25, lid 2.<BR><BR> Or en bestuurder zouden op de voet van art. 32, lid 2 zelf (procedure)afspraken kunnen maken en deze in een ondernemingsovereenkomst kunnen vastleggen. Het is dan wel van belang dat er duidelijkheid is over wat ‘besluiten in voorbereiding met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in de art. 25 en 27’ zijn, zodat er echt ergens over te praten valt. Als de ondernemer zeer vroegtijdig plannen kenbaar maakt aan de or, kan deze zich zelf een oordeel vormen of van een beleidsvoornemen sprake is. Is dat het geval, dan kunnen beide partijen afspraken maken over de verdere voortgang van de besluitvorming. Zo wordt de or een onderdeel van het managerial process en kan hij fungeren als klankbord in de voorbereidingsfase. Er is dan meer kans op zinvolle invloed dan wanneer, formeel correct, voor het te nemen besluit nog snel een adviesaanvraag wordt ingediend en de or beleefd wordt aangehoord. <BR><BR> Samenvatting uit OR Informatie 9 2008

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.