Mondelinge uitbreiding bevoegdheden

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

<P>Infor Global Solutions heeft een Regeling Algemene Arbeidsvoorwaarden (RAA), waarvan onder meer een ziektekostenregeling deel uitmaakt. Eind 2005 vernam de ondernemingsraad dat Infor de ziektekostenregeling wilde veranderen. Na overleg besloot het bestuur de regeling eenzijdig, dus zonder instemming van de or, in te voeren. De or stond op het standpunt dat over de RAA een instemmingsrecht was overeengekomen. De bedrijfscommissie die door de or werd ingeschakeld, adviseerde inderdaad dat de wijziging instemmingsplichtig was. Hierop wendde de or zich tot de kantonrechter. In de tussentijd heeft Infor een eventueel overeengekomen instemmingsrecht per 8 september 2007 opgezegd.</P> <P>Volgens de or stond tot begin 2006 niet ter discussie dat de regeling instemmingsplichtig was. In het verleden werden alle wijzigingen ter instemming voorgelegd. In een e-mail uit 2003 werd door de directie uitgesproken dat in de toekomst verdere wijzigingen te verwachten waren, "maar te allen tijde pas nadat de COR hiermee heeft ingestemd". Volgens de or zijn de bevoegdheden van de or uitgebreid in de zin van artikel 32 WOR. In elk geval is er sprake van een bestendige gedragsregel. Ook de opzegging van de ondernemingsovereenkomst acht de or instemmingsplichtig. </P> <P>Infor bepleitte een ‘niet ontvankelijk verklaring’. De arbeidsvoorwaarden vallen niet onder het instemmingsrecht van artikel 27 WOR, voor uitbreiding van de bevoegdheden is schriftelijkheid een voorwaarde. Bovendien heeft de or niet tijdig actie ondernomen. De kantonrechter wordt verzocht zonodig te verklaren dat de opzegging van de overeenkomst tot uitbreiding van het instemmingsrecht rechtsgeldig is.</P> <P><B>Oordeel kantonrechter</B><br> De kantonrechter sluit ondanks het vereiste van schriftelijkheid niet uit dat een bindende mondelinge afspraak bestaat en acht schriftelijkheid geen bestaansvoorwaarde voor een overeenkomst omtrent uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraad. Op grond van de praktijk in het verleden, gevoegd bij de e-mail van de directie, oordeelt de kantonrechter dat het standpunt van de or het juiste is. Voor de opzegging van de overeenkomst had de bedrijfscommissie een termijn van zes maanden aanbevolen. Dat pleitte voor het standpunt van Infor dat de opzegging geldig was. Maar de aanbeveling om overleg te voeren over een nieuwe regeling was niet gevolgd. Reeds daarom was de opzegging niet geldig.</P> <P><B>Commentaar</B><br> De kantonrechter meent dat de ondernemingsovereenkomst ook mondeling kan worden overeengekomen, mits dat bewijsbaar is. Voor dat standpunt valt steun te vinden in het gezaghebbende commentaar van prof. Rood op de WOR, bewerkt door prof. Van der Heijden. Toch lijkt het mij vreemd dat als de wetgever de eis van schriftelijkheid in de wet stelt, hij dit niet zo zou hebben bedoeld. Het blijft in elk geval toch belangrijk om overeenkomsten met de ondernemer steeds schriftelijk te sluiten. Deze or heeft geluk dat de kantonrechter de wet ruim uitlegt.<br> De kantonrechter stelt terecht eisen aan de opzegging van de ondernemingsovereenkomst. Daarover zegt de wet niets. Wel is er een wetsvoorstel geweest dat een opzegtermijn van zes maanden voorstelde. Het Hof Den Haag oordeelde eerder dat er overleg moet plaatsvinden. Daarbij sluit deze uitspraak aan. Het zonder meer opzeggen van een ondernemingsovereenkomst zonder onderhandelingen over een redelijk vervolg gaat te ver.</P> <I>Rechtbank Arnhem (Kantonrechter Wageningen), 9 mei 2007, JAR 2007/37</I>

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.