Het voorstel is om de betalingsplicht van de ondernemer voor deze scholing en vorming ook wettelijk vast te leggen. Een richtbedrag per dagdeel komt in de plaats van de huidige heffing voor de ondernemers.
De verplichte heffing voor de scholing en vorming wordt nu nog via het Gemeenschappelijk Begeleidingsinstituut Ondernemingsraden (GBIO) overgemaakt aan de ondernemingen. Bij instelling van de heffing in 1975 was de gedachte dat de werkgever het mogelijk moest maken om deskundigheid van or-leden te stimuleren. De Raad voor Centrale Ondernemersorganisaties (RCO) steunde deze systematiek niet langer, waardoor naar een alternatief gezocht moest worden. Dit alternatief is nu neergelegd in een unaniem advies van de SER en betekent onder meer een aanscherping van de huidige Wet op de ondernemingsraden.
De SER wil ook dat dat sociale partners in de nieuwe opzet betrokken blijven bij het bewaken van de kwaliteit van de opleidingen, via een speciaal daartoe op te richten stichting. Hierin zouden ook de overheidswerkgevers en de branchevereniging voor scholingsinstituten vertegenwoordigd moeten zijn. Een speciale commissie binnen de SER zal daarnaast taken krijgen om de medezeggenschap in ondernemingen te bevorderen. Zo zal ze voorlichting geven over gecertificeerde opleidingsaanbieders en kabinet en parlement kunnen adviseren over medezeggenschapsaangelegenheden. Op decentraal niveau zal ze ondernemers en or-leden via een aanbeveling wijzen op het belang van goede scholing.
Om geschillen sneller te kunnen oplossen adviseert de SER dat ondernemers of or-leden hun vragen direct kunnen voorleggen aan een van de bestaande bedrijfscommissies. In de uitwerking van deze nieuwe opzet kan het GBIO, dat 35 jaar geleden werd opgericht door de SER en de Stichting van de Arbeid, worden opgeheven. Het GBIO heeft een belangrijke functie gehad bij de ontwikkeling van de medezeggenschap.
Gesignaleerd:
Boek > Loopbaanbeleid voor or-leden
Boek > OR en interne competentie-ontwikkeling




