Energierekening als bewijslast voor energielabels

Energierekening als bewijslast voor energielabels
Een wegensteunpunt met strooizoutloods van Rijkswaterstaat, van waaruit sneeuwschuivers en zoutstrooiwagens hun werk verrichten. Deze locaties hebben doorgaans ook een klein kantoor en een kantine, én zijn net als de overige rijksgebouwen verplicht om een energielabel te hebben. Foto: ANP/Robin Utrecht.

Minister Mona Keijzer maakt zich klaar voor nieuwe Europese regels die gaan over het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Ze belooft voor de zomer te laten weten hoe de nationale uitwerking van de verschillende verplichtingen eruit gaat zien en wanneer er wat wordt geregeld. Telt de energierekening straks mee als bewijslast?

Werd je de afgelopen jaren al tureluurs van de veranderende energielabels voor gebouwen in Nederland? Zet je dan maar schrap voor de Europese regelgeving die er binnenkort aankomt. Alle landen in de EU moeten af van hun meest energieverspillende utiliteitsgebouwen. De minst zuinige 16% moet verbeterd zijn in 2030. In 2033 geldt dat voor de slechts scorende 26%. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Mona Keijzer buigt zich nu over de vraag hoe Nederland straks officieel vaststelt welke gebouwen tot die slechtste percentages behoren.  

Berekening energielabels

Om gebouwen te verdelen in energiezuinigheid bestonden tot nu toe energielabels. Die labels G tot en met A werden tot 2021 nog bepaald met de EPC/EI-berekeningsmethode op basis van de NEN 7120, waarvan je de naam meteen weer mag vergeten. Omdat de vaststelling daarvan enigszins onzorgvuldig gebeurde, bestaat sinds 2021 de striktere doch even onaantrekkelijk genaamde berekeningsmethode NTA 8800. Deze methode gaat ook uit van berekeningen.

Kort door de bocht meet een energieadviseur het vloeroppervlak en het aantal vierkante meters aan muren en ramen. Samen met de isolatiewaarde van die muren en ramen én de installaties van een gebouw - warmtepomp, zonnepanelen, vloerverwarming - rolt daar een getal uit: het aantal kWh per m2 per jaar. Voor de duidelijkheid: het gaat dan om de ‘gebouwgebonden’ energie die nodig is om het gebouw op temperatuur te houden, te ventileren en - bij utiliteitsbouw - verlichting. Hierbij telt níet de energie die voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals voor beeldschermen, printers en koffiemachine.

Niet waterdicht

De berekende kWh per m2 van de bestaande energielabels is dus een theoretisch getal en zegt niet direct iets over het daadwerkelijke energieverbruik. Het zou immers kunnen dat de thermostaat van een zuinige vloerverwarming te hoog staat afgesteld en kantoormedewerkers heel vaak een raampje openzetten. Dan is een gebouw in de praktijk veel minder zuinig dan berekend door de energieadviseur. Andersom kan een team uit een slecht geïsoleerd gebouw gewend zijn aan dikke truien. Daarmee kan het energieverbruik van dat kantoor een stuk lager laten uitkomen dan de berekeningen zouden voorspellen. Een aantal experts pleit er daarom al lang voor om ook het daadwerkelijke energieverbruik mee te nemen in het vaststellen van de energiezuinigheid van een gebouw.

Daadwerkelijk energieverbruik

De Nederlandse technische vereniging voor installaties in gebouwen (TVVL) en de Dutch Green Building Council (DGBC) ontwikkelden daarom samen de WEii, de Werkelijke Energie intensiteit indicator. Ook hier gaat het om kWh per m2, maar dan de daadwerkelijk verbruikte kWh.

Dat getal begint bij het aflezen van de energiemeter. Het is redelijk simpel: je leest af hoeveel stroom en gas een gebouw heeft verbruikt in een jaar. Dat reken je om naar kWh en dat deel je door het aantal vierkante meters van een gebouw. Je kunt dat nog wat finetunen, door zelfopgewekte stroom uit zonnepanelen en stroomverbruik voor extern gebruik, zoals laadpalen, van het totaal af te trekken. Zo kom je uiteindelijk uit op de WEii-score, dat is óók het aantal kWh per m2.

Al het stroomverbruik telt mee

Maar kijk uit: dit is niet goed te vergelijken met de berekende kWh uit de energielabels. In de WEii telt namelijk wél al het stroomverbruik van een gebouw mee. Het gaat dus níet alleen om de energie die wordt gebruikt voor de temperatuur, de ventilatie en de verlichting van een gebouw, zoals bij energielabels. Het gaat ook om het stroomverbruik van beeldschermen, printers en koffiemachines. Daarnaast berekent het energielabel de kWh die nodig is voor een woning vanaf het begin van de hele keten. Dat is inclusief verliezen bij de opwek van energie in centrales en distributieverliezen door de netwerken. De WEii kijkt alleen naar wat er een gebouw binnenkomt.

Portefeuilleaanpak

Van sommige grote Nederlandse partijen wordt het daadwerkelijke energieverbruik al meegerekend in het vaststellen van de energiezuinigheid van hun gebouwen. Dat zijn 27 partijen, zoals de politie, Jumbo, NS en Rabobank. Omdat zij meer dan twintig gebouwen hebben, verspreid over de gebieden van tenminste twee omgevingsdiensten, mogen zij meedoen met de zogenoemde portefeuilleaanpak. Daarin zeggen ze toe om het daadwerkelijke energieverbruik van hun vastgoed te verlagen met 3,5% per jaar, volgens de WEii-methode. In deze portefeuilleaanpak kunnen grote vastgoedeigenaren hun besparingsplannen bespreken met maar één aanspreekpersoon in plaats van met verschillende omgevingsdiensten.

Label C-plicht en energiebesparingsplicht

Kantoorgebouwen van minstens 100 m2 moeten energielabel C of hoger hebben. De label C-plicht voor kantoren en de energiebesparingsplicht voor gebouwen wordt niet opgeheven in de portefeuilleaanpak. Die afspraken zijn nou eenmaal wettelijk vastgelegd. Bedrijven en instellingen met milieubelastende activiteiten en een jaarlijks energieverbruik van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalent), zijn verplicht om alle energiebesparende maatregelen uit te voeren die zich binnen vijf jaar terugverdienen. In de portefeuilleaanpak wordt hier per gebouw minder streng op gehandhaafd. Zo kunnen deze vastgoedeigenaren hun investeringskosten beter spreiden en panden energiezuiniger maken op momenten dat ze toch al installaties moeten vervangen.

EnergieKompas

De Dutch Green Building Council (DGBC) en TVVL pleiten voor het meenemen van zowel het daadwerkelijke energieverbruik (WEii) als het energielabel. Ze maakten daar een hulpmiddel voor: het WEii EnergieKompas. Daarmee kun je verschillende gebouwen plotten in een grafiek. Op de horizontale as staat het energielabel (van slecht naar goed). Op de verticale as staat het energieverbruik (van laag naar hoog).

Het WEii EnergieKompas met op de X-as voor 2025 de relatie tussen Paris Proof en de renovatiestandaard volgens het in 2025 geldende NTA-energielabel. De X-as voor 2030 geeft een indicatie; de nieuwe rekenmethode bepaalt de uiteindelijke labelverdeling.

Je zou misschien verwachten dat een goed energielabel betekent dat het energieverbruik laag is. De gemiddelde lijn loopt dan ook van linksboven naar rechtsonder. Maar lang niet alle gebouwen komen uit rondom die lijn. Dat komt door de manier waarop installaties zijn ingeregeld en hoe gebruikers daarmee omgaan. Denk weer aan de te hoog afgestelde verwarming en open ramen (eindigt in de grafiek rechtsboven). Of het op slechte isolatie afgestemde team in dikke truien (eindigt in de grafiek linksonder).

Rijkswaterstaat

Voor vastgoedeigenaren met meerdere gebouwen, zoals de partijen die meedoen met de portefeuilleaanpak, is het EnergieKompas een goed hulpmiddel. Rijkswaterstaat maakt er bijvoorbeeld ook gebruik van, schrijft TVVL. Rijkswaterstaat deelde de gebouwen in de grafiek op in zes vlakken, met een bijbehorend plan van aanpak. Vanzelfsprekend staan gebouwen met slechte energielabels en een hoog energieverbruik (linksboven) vooraan in de rij voor een duurzame verbouwing. In gebouwen die juist goed scoren op beide assen (rechtsonder) hoeft voorlopig weinig te gebeuren. Voor gebouwen die juist afwijken van de verwachting is meer onderzoek nodig.

In sluisgebouwen en gemalen waar veel energie wordt gebruikt voor externe apparatuur, komt een tussenmeter om te bepalen wat precies het energieverbruik is voor het gebouw zelf. Bij gebouwen met een onverwacht laag verbruik wordt gekeken of het gebouw wel voldoende wordt gebruikt en niet te vaak leegstaat. Gebouwen met een goed energielabel en tegelijkertijd een bovengemiddeld energieverbruik, moeten aan de slag met energiebeheer om gebruik en installaties beter op elkaar af te stemmen.

Europese regels

Minister Keijzer schreef in maart 2025 een kamerbrief over de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Daarin zegt ze onder meer de portefeuilleaanpak te willen voortzetten en juridisch te borgen. Dat laatste is onder meer nodig om te voldoen aan Europese regelgeving. Zoals eerder in het artikel al geschreven, bepaalt Europa in de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD IV) dat in 2030 16% van de minst energiezuinige gebouwen moeten zijn aangepakt. In 2033 moet dat gebeurd zijn met de slechtst scorende 26% van de Nederlandse gebouwen. Elk land mag zelf bepalen op welke manier het de energiescore van gebouwen vaststelt. Keijzer werkt nu aan een nationale uitwerking van Europese verplichtingen. 

Nederlandse plannen

In de utiliteitsbouw wil Keijzer de normering zo vormgeven dat het voor gebouweigenaren ‘draagbaar, haalbaar en uitvoerbaar’ is. Dat betekent onder meer dat gebouweigenaren kunnen aantonen dat ze aan de eisen voldoen ‘op een manier die het beste bij hen past’. Dat kan bijvoorbeeld met een energielabel, of via inzage in het energiegebruik of via aantoonbaar genomen maatregelen.

Om de slechtst scorende gebouwen volgens de EPBD IV uit te faseren, wil Keijzer een minimumeis voor de energieprestatie opnemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor de zomer belooft Keijzer te laten weten hoe zij de verschillende verplichtingen nationaal gaat uitwerken en wanneer zij welke onderdelen regelt.


Lees meer over

Katja Keuchenius schrijft als freelance journalist vooral over duurzame innovatie en circulaire economie. Ze interviewt mensen die de samenleving slimmer en verantwoorder willen organiseren. Ze volgde daarvoor de bachelor Algemene Sociale Wetenschappen en de master Journalistiek en Media aan de Universiteit van Amsterdam. Naast Entra publiceert Katja in onder meer Vrij Nederland, Binnenlands bestuur, Down to Earth magazine en Dagblad Trouw.

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.